Categorie: Politiek en beleid | Gepubliceerd: 20 april 2026

Kabinet erkent onzekerheid door uitstel besluitvorming

Het kabinet ziet ook dat het uitstel van besluitvorming over de heffingen van 567 miljoen voor de afvalsector leidt tot onzekerheid en uitstel van investeringen. Maar zorgvuldige besluitvorming is ook belangrijk.

Het kabinet legt uit dat het pas "net voor" de publicatie van de Voorjaarsnota was beëdigd en het besluit daarom is uitgesteld. Dat was te verwachten - er zat iets meer dan een maand tussen beëdiging en publicatie, onvoldoende tijd voor een beoordeling van de alternatieve voorstellen van de Werkgroep Afvalsector en een weloverwogen definitieve beslissing. De definitieve weging is nu doorgeschoven naar augustus. Volgens het kabinet moet dat voldoende ruimte geven om de uitkomsten mee te nemen in het Belastingplanpakket 2027. Welke voorgestelde maatregelen worden meegenomen in de besluitvorming, kan het kabinet nog niet zeggen. In augustus vindt nog politieke besluitvorming plaats en daarop wil het niet vooruitlopen.

Dat blijkt uit antwoorden van het kabinet op vragen van de vaste commissie voor Financiën over de Voorjaarsnota, waarin besluitvorming over de heffingen van 567 miljoen euro en de alternatieven van de Werkgroep Afvalsector werd doorgeschoven naar Prinsjesdag. 

Onzekerheid

Het doorschuiven van de besluitvorming leidt tot onzekerheid en onduidelijkheid binnen de afvalsector, erkent het kabinet ook. En die onzekerheid is niet beperkt tot de directe kosten van verbranding, maar geldt ook voor de financiële positie van recyclers, de kosten voor burgers en de hoeveelheid afval die geëxporteerd zal worden. 

Die onzekerheid heeft gevolgen voor recycling en het milieu. Diverse partijen uit de sector hebben aangegeven geen investeringen in CO2-afvang en -opslag (CCS) of recycling te ondernemen, zolang niet duidelijk is hoe hoog de verbrandingskosten zullen zijn. Daarmee kunnen investeringen in nieuwe recycling- en CCS-capaciteit dus worden uitgesteld, of zelfs helemaal niet meer plaatsvinden. Het kabinet geeft aan deze signalen serieus te nemen, maar wil ook dat besluitvorming zorgvuldig plaatsvindt. Het is daarom met de sector in gesprek en er is een Bestuurlijk Overleg met de sector gepland in mei. Ook stelt het kabinet dat het bij de besluitvorming de effecten op export en recycling nadrukkelijk meeweegt.

CO2-heffing

Zoals het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat al eerder bevestigde, geldt het voornemen om de nationale CO2‑heffing industrie af te schaffen niet voor afvalverbrandingsinstallaties (avi's). Voor deze activiteit blijft de CO2-heffing bestaan, ook na 2030. Daarnaast is in de voorjaarsbesluitvorming van 2025 besloten om de terugsluis van de CO2-heffing voor avi's in te zetten als dekking voor het niet-invoeren van de plasticheffing. Als de CO2-heffing voor avi's zou worden afgeschaft, moet dit besluit dus ook financieel gedekt worden.

Daarnaast gaat het kabinet in op wat de gevolgen van de CO2-heffing zijn voor avi’s als ze onder het Europese emissiehandelsysteem (EU ETS) komen te vallen. De CO2-heffing industrie is ingericht als een minimumprijs ten opzichte van het EU ETS. Dat betekent dat het tarief wordt verminderd met de jaarlijks vast te stellen termijnkoers van ETS-rechten. De wet voorziet voor afvalverbrandingsinstallaties niet automatisch in een vergelijkbare correctie van het tariefpad, wanneer avi's onder het EU ETS zouden komen te vallen. Dit zou een wetswijziging vergen. Als en wanneer afvalverbranding dus onder het EU ETS komt te vallen, zal de overheid moeten bepalen hoe daarmee om te gaan. 

Circulaire economie

Tot slot blijft het kabinet van mening dat "onderdelen van" het pakket aan heffingen voor de afvalsector tot meer circulariteit leiden, hoewel het de maatregelen ook fors noemt en daar de risico's van erkent. Het kabinet verwacht dat hogere kosten voor afvalverwerking op termijn zullen zorgen voor hogere poorttarieven, wat gemeenten en bedrijven prikkelt om het aanbod van te verbranden of te storten afval te verminderen. Voor die verwachting verwijst het kabinet naar een onderzoek van Trinomics.

Uit hetzelfde onderzoek blijken twee tegengestelde effecten op recycling. Enerzijds zorgen de maatregelen ervoor dat ontdoeners meer bereid zijn te betalen voor recycling, omdat verbranding relatief duurder wordt. Anderzijds wordt recycling ook duurder, doordat residuen uit het recyclingproces uiteindelijk ook verbrand worden en recyclingbedrijven daar dus meer kosten voor maken. Trinomics laat zien dat de maatregelen daarmee een netto negatief effect kunnen hebben op recyclingactiviteiten.

Zo'n tweeledig effect is ook zichtbaar voor CCS. Enerzijds geeft Trinomics aan dat de businesscase voor avi's onzekerder wordt door onder andere volumerisico’s. Anderzijds is de huidige CO2-heffing te laag om verbranders voldoende te prikkelen om over te stappen op CCS. De verwachting is dat een hogere CO2-heffing ook zorgt voor een sterkere prikkel om te investeren in CCS.

Tot slot acht Trinomics de kans aannemelijk dat door de verhoogde poorttarieven Nederland aanzienlijk minder afval zal importeren. Dit beschouwt het kabinet als een wenselijke ontwikkeling, in lijn met de Beleidsvisie Afvalverbranding. Daar staat tegenover dat er een risico is dat juist meer Nederlands afval naar het buitenland gaat.