Het voorheen vooral op de achtergrond opererende Remondis pakte flink uit bij de viering van de twintigjarige aanwezigheid in Nederland. Trots keek het terug op wat het bereikt heeft, maar zorgen voor de toekomst zijn er wel.
Het was gisteren (3 september) feest bij Remondis. Oorspronkelijk zou de nieuwbouw van het kantoor in het Brabantse Son worden gevierd, toen kwam daar ook de vernieuwde sorteerinstallatie voor bouw- en sloopafval bij (de grootste van Nederland) en uiteindelijk werd het twintigjarig bestaan het dominante thema. Want Remondis Nederland wilde zich op de kaart zetten. De laatste jaren is het bedrijf niet zozeer in omvang gegroeid, maar vooral in governance en externe presentatie. Dus werd het tijd om het verleden, heden en toekomst eens duidelijk voor het voetlicht te brengen.
Inmiddels telt de onderneming meer dan veertig vestigingen en ruim 3.000 medewerkers. Andreas Krawczik memoreerde de langzame opbouw van Remondis in Nederland. "Twintig jaar geleden gingen we deelnemen in ARN in Nijmegen. Iedereen dacht toen dat we vervolgens een grote slag zouden gaan slaan door een van onze collega’s over te nemen. Het bleef lang stil en toen werd het Pietje Papier." Vertrouwen in medewerkers en in de lokale ondernemingen die onderdeel van de groep werden, was daarbij volgens de directeur van Remondis Nederland belangrijker dan één grote overname. Verschillende familiebedrijven werden vervolgens overgenomen, met Dusseldorp als relatief grootste klap. Wellicht overigens dat Remondis alsnog die grote slag zal maken. Het is een publiek geheim dat PreZero Nederland te koop staat, en er is zeker interesse.
Vertrouwen was het kernwoord van Krawczik en hij staafde dat door te verwijzen naar de aanwezigheid van vroegere eigenaren van de overgenomen familiebedrijven, die zich nog steeds betrokken voelen. Vertrouwen vanuit de Duitse directie speelde ook een grote rol bij de ontwikkeling van de Nederlandse tak van het Duitse familiebedrijf. Norbert Rethmann, de 86-jarige Pater Familias, was overgekomen voor een van zijn zeer zeldzame interviews. Hij verklaarde de groei in Nederlands door te wijzen op de ondernemersmentaliteit die vergelijkbaar is met de Duitse. "Het succes is voor een groot deel terug te voeren op goed management", hoewel hij ook wel toegaf dat hijzelf ook heel verbaasd was over de sterke groei van het concern dat meer dan 30 miljard omzet heeft en ongeveer 211.000 medewerkers.
In een paneldiscussie met Dyonne Rietveld van Uniper, Stefan Verhoeven van Miele, Jos Habets van Daf Trucks en Wouter van Aggelen van Remondis klonk vooral zorg over de toekomst. Van Aggelen vatte het scherp samen: technisch kan volgens hem "ongelooflijk veel", terwijl het economisch vaak niet kan. Het panel was unaniem over het ontbreken van urgentie voor behoud van grondstoffen, zeker in relatie tot energie. Ambities zijn er volop, maar beleid en investeringen blijven daarbij achter.
Ook Verhoeven wees op de economische kant van circulariteit. Bedrijven en consumenten kunnen wel meer circulariteit verlangen, maar duurzamere en circulaire oplossingen zijn niet automatisch de goedkoopste. Zonder bereidheid daarvoor te betalen, blijft opschaling lastig.
Daf laat zien hoe ver een producent aan de andere kant van de keten inmiddels kan komen. Een Daf-truck bevat gemiddeld ongeveer 35 procent gerecycled materiaal. Meer dan 90 procent van de gebruikte materialen is aan het einde van de levensduur recyclebaar. Maar volgens Habets houdt circulariteit niet op bij het ontwerpen van een recyclebaar product. Als basisindustrie uit Europa verdwijnt, verdwijnt ook een deel van de markt waarin teruggewonnen materialen opnieuw kunnen worden toegepast. Een recycler kan grondstoffen produceren, maar er moeten vervolgens wel Europese bedrijven zijn die dat recyclaat kunnen en willen gebruiken. Die samenhang tussen recycling en een sterke Europese industrie was een van de terugkerende waarschuwingen tijdens het symposium. Dat was geen toeval, want gelijk met het symposium was er een debat in de Tweede Kamer over het rapport 'De route naar toekomstige welvaart' van oud-ASML-topman Peter Wennink over het verdienvermogen van Nederland.
De stip op de horizon is wel duidelijk, de weg ernaartoe niet. De overheid speelt daarin een cruciale rol, maar weet niet een duidelijk ondernemingsklimaat met toekomstperspectief neer te zetten. Tegelijkertijd waarschuwden de paneldeelnemers ervoor, dat de uiteindelijke oplossing ook van het bedrijfsleven zelf moet komen. Laat de circulaire economie niet vastlopen in het wachten op het perfecte systeem. Te veel denken vanuit het ideale eindbeeld kan investeringen juist vertragen. De boodschap uit het panel was daarom eerder pragmatisch: begin waar een circulaire keten al kan werken en verbeter die vervolgens verder.
Dat sluit mooi aan op de manier waarop Krawczik de ontwikkeling van Remondis Nederland beschreef: niet via één grote sprong, maar stap voor stap. Twintig jaar na de Nederlandse entree lijkt diezelfde aanpak nodig voor de volgende fase van de circulaire economie. Alleen is de inzet inmiddels groter. Het gaat niet meer alleen om minder afval, maar ook om de vraag hoeveel grip Europa in de toekomst nog heeft op zijn eigen grondstofvoorziening.