Categorie: Ketens en markten | Gepubliceerd: 01 oktober 2026

AVR: 'Arrest Hof heeft grote gevolgen voor publieke afvalmarkt'

Nu het Gerechtshof Den Haag contracten over restafvalverwerking tussen de NV Bar, Irado en Afvalsturing Friesland heeft vernietigd, verwacht AVR dat publieke afvalverwerkers en hun aandeelhouders eens goed in de spiegel gaan kijken.

De afvalenergiecentrale van AVR in Rotterdam.
De afvalenergiecentrale van AVR in Rotterdam. | Dreamstime | André Muller

Deze week zette het Gerechtshof Den Haag een streep door de contracten die de NV Bar, Irado en Afvalsturing Friesland (onderdeel van Omrin) met elkaar sloten voor de verwerking van restafval uit de Bar-gemeenten Barendrecht, Albrandswaard en Ridderkerk. De partijen dachten de ruimte te kunnen benutten die de Europese aanbestedingsrichtlijn overheden biedt om onder voorwaarden een opdracht via inbesteding direct te gunnen aan een overheidsbedrijf waarin ze zelf participeren. Het Hof oordeelde echter dat ze niet aan het zogenoemde 80 procent activiteitencriterium hadden voldaan. Dat houdt in dat wie een opdracht zonder aanbesteding wil gunnen, moet kunnen aantonen dat de groep als geheel (op basis van de juiste omzet/maatstaf) meer dan 80 procent van de omzet uit de participerende overheden haalt.

In 2019 startte AVR de zaak tegen de NV Bar, Irado en Afvalsturing Friesland. Zeven jaar later volgt uit het vonnis van het Hof dat de private afvalverwerker recht heeft op een schadevergoeding van 135.000 euro van de NV Bar en Irado, omdat deze door oneigenlijke concurrentie de kans op een verwerkingsopdracht misliep. Ook mag het bedrijf 52.000 euro aan proceskosten bij de publieke partijen declareren. Maar de winst van de uitspraak is veel groter, meent AVR. Het bedrijf voorziet dat het arrest "grote gevolgen heeft voor de publieke afvalmarkt".

Publieke samenwerking op losse schroeven

AVR ziet bijvoorbeeld de uitkomst van het lopende hoger beroep bij het Hof in Arnhem, waar een vergelijkbare zaak loopt tegen Twence en haar aandeelhoudende gemeenten, met vertrouwen tegemoet. Ook de inbesteding door de overige aandeelhouders van Omrin staat volgens het bedrijf op losse schroeven door het arrest. AVR heeft de overige aandeelhouders van Omrin hier al nadrukkelijk op gewezen en verwacht dat deze gemeenten nu zullen handelen overeenkomstig de aanbestedingswet, waar het Hof met deze uitspraak wat AVR betreft geen twijfel over laat bestaan. AVR gaat genoemde aandeelhouders hier nogmaals op wijzen en indien nog nodig zullen passende rechtsmaatregelen worden getroffen, waarschuwt het bedrijf.

Ook moet het arrest volgens AVR gevolgen hebben voor andere publieke afvalverwerkers en haar aandeelhouders. Commerciële activiteiten van deze zullen partijen zullen serieus moeten worden afgebouwd om alsnog aan het 80 procent activiteitencriterium te voldoen. Dat zal echter geen remedie zijn voor inbestedingen die reeds hebben plaatsgevonden of op binnen afzienbare tijd worden overwogen. Onder de aanbestedingswet wordt namelijk vastgesteld of er wordt voldaan aan de 80/20 regel, drie jaar teruggekeken vanaf het moment van inbesteden.

Wél ruimte voor het publieke model

Omrin-directeur John Vernooij stelde gisteren nog dat hij wel ruimte blijft zien voor inbesteden. Over de afgelopen drie jaar zou er volgens hem namelijk wél voldaan zijn aan het activiteitencriterium, mede omdat Aalsmeer en meerdere gemeenten uit Groningen zich inmiddels bij Omrin hebben aangesloten. Volgens hem blijft er, ook met het arrest, ruimte voor het publieke model, dat in zijn ogen stabiele prijzen geeft, zorgt voor innovatie en hogere hergebruikcijfers. Het arrest zou vooral welkome duidelijkheid geven over wat wel en niet kan.

Irado en Afvalsturing Friesland besloten begin dit jaar overigens al om de inmiddels vernietigde contracten per 31 december 2026 met wederzijds goedvinden te beëindigen. AVR vorderde bij het Hof een aanbestedingsgebod voor de Bar-gemeenten, Bar en Irado. Die vordering wil het Hof echter niet toewijzen omdat overheidsdiensten nu eenmaal de vrijheid hebben om “hun taken van algemeen belang te vervullen met gebruikmaking van hun eigen middelen, waaronder de mogelijkheid samen te werken met andere overheidsdiensten”. Er blijft dus ruimte om voor een uitzondering op de aanbestedingsplicht te gaan. Waar de publieke partijen uiteindelijk voor gaan, zal de komende tijd blijken.