De provincie Noord-Brabant mocht een afvalstoffenbedrijf drie lasten onder dwangsom opleggen vanwege broei, brand en vervuild afvalwater rond opgeslagen shredderresidu. Ook de invordering van 1 miljoen euro blijft in stand.
De rechtbank Oost-Brabant heeft drie lasten onder dwangsom tegen een afvalstoffenbedrijf grotendeels in stand gelaten. De zaak draait om de opslag van shredderresidu op een buitenterrein, waar broei en brand waren ontstaan. Volgens de rechtbank mocht de provincie Noord-Brabant handhaven op basis van de specifieke zorgplicht die staat in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Het bedrijf bestreed dit, omdat het voor de opslag een omgevingsvergunning heeft. Toch was de handhaving terecht, vindt de rechtbank. De vergunning bevatte wel voorschriften om geur, broei en brand te voorkomen of te beperken, maar regelde niet wat moest gebeuren nadat in een partij shredderresidu daadwerkelijk broei en brand waren ontstaan. In zo’n situatie kan de specifieke zorgplicht aanvullend werken. In de periode voorafgaand aan de handhaving was verschillende keren broei en ook brand geconstateerd. Het nathouden tegen broei van het shredderafval en het bluswater zorgde voor een verontreinigde waterstroom die de omliggende bodem vervuilde en ook in het riool terecht kwam. Het waterschap gaf aan dat het geloosde water giftig is en dat het deze stroom niet wil ontvangen.
De uitspraak zelf is geanonimiseerd. Uit berichtgeving van Omroep Brabant over de zitting blijkt echter dat het gaat om Gerrits Metaalhandel in Helmond.
De provincie legde op 2 april 2025 drie lasten onder dwangsom op. De eerste last ging over de afvoer van een partij shredderresidu. De tweede last zag op het voorkomen dat bluswater, koelwater of hemelwater via of door de ommuring in de bodem uitspoelde. De derde last had betrekking op het voorkomen van herhaling van lozing van afvalwater op het openbaar vuilwaterriool in strijd met de vergunning. Het bedrijf maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. Ook vroeg het bedrijf de provincie om de begunstigingstermijn voor de afvoer van het shredderresidu op te schorten of te verlengen. De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening op 2 juli 2025 gedeeltelijk toe.
Bij de last vanwege de opslag moest duidelijker worden dat nieuwe partijen shredderresidu onder voorwaarden konden worden opgeslagen, en bij last voor het lozen op het riool moest duidelijk worden of, wanneer en onder welke voorwaarden lozing op het riool kon worden hervat. Daarna paste de provincie in het besluit op bezwaar van 21 oktober 2025 twee lasten aan en verlengde zij de begunstigingstermijn voor de afvoer van het shredderresidu tot 23 juli 2025.
Daarop paste de provincie de eerste en derde last aan. Bij de eerste last werd verduidelijkt dat nieuwe partijen shredderresidu na 2 juli 2025 mochten worden opgeslagen, mits zij afzonderlijk werden opgeslagen, niet werden vermengd en volgens de vergunning werden geregistreerd. Ook werd de begunstigingstermijn voor de afvoer van de betrokken partij shredderresidu verlengd tot 23 juli 2025.
Op 24 oktober 2025 besloot de provincie vervolgens 1 miljoen euro aan verbeurde dwangsommen in te vorderen. Dat besluit werd door de voorzieningenrechter op 24 december 2025 bij wijze van ordemaatregel geschorst. De rechtbank heeft nu zowel geoordeeld over de lasten onder dwangsom als over de invordering. De rechtbank werd gevraagd te oordelen over de lasten voor de opslag en afvoer van sorteerresidu en over die van de lozing op het riool.
Het bedrijf stelde dat de opslag van shredderresidu was vergund en dat de provincie daarom niet via de zorgplicht had mogen optreden. Als de vergunning onvoldoende waarborgen bood, had de provincie volgens het bedrijf extra voorschriften moeten stellen.
De rechtbank volgt die redenering niet. Zij benadrukt wel dat handhaving op de specifieke zorgplicht bij een vergunde activiteit terughoudend moet worden toegepast. Die zorgplicht komt volgens de rechtbank vooral in beeld als vergunningvoorschriften ontbreken, ontoereikend zijn, of als sprake is van bijzondere omstandigheden. De rechtbank noemt de overtreding van de specifieke zorgplicht evident. Daarom mocht de provincie ook eisen dat de betrokken partij shredderresidu werd afgevoerd en ook de termijn die ze ervoor stelde was niet te kort. De hoogte van de dwangsom bleef eveneens overeind. De provincie mocht het maximum van 1 miljoen euro afstemmen op de geschatte kosten van afvoer van het shredderresidu.
De derde last ging over het voorkomen van herhaling van een overtreding van een vergunningvoorschrift waarin het lozen van bedrijfsafvalwater op het openbaar vuilwaterriool alleen is toegestaan als de samenstelling, eigenschappen of hoeveelheid daarvan de doelmatige werking van het riool niet belemmert. Volgens de rechtbank was niet in geschil dat verontreinigd bluswater of hemelwater die werking had belemmerd. De provincie mocht daarom een last onder dwangsom opleggen, met een dwangsom van 50.000 euro per etmaal en een maximum van 300.000 euro.
Wel had de provincie de herstelmaatregelen te dwingend geformuleerd. Zij wekte de indruk dat lozing pas weer mogelijk was na afvoer van het betrokken shredderresidu en reiniging van riool en terrein, of na afdekking van het residu met instemming van de provincie. Volgens de rechtbank moet het bedrijf echter vrij blijven om zelf passende maatregelen te kiezen. Als met analyses wordt aangetoond dat het afvalwater het rioolsysteem niet langer belemmert, moet hervatting van lozing in beginsel mogelijk zijn.
De rechtbank vernietigt dit onderdeel formeel, maar laat de rechtsgevolgen in stand. De derde last blijft dus gelden, met de verduidelijking dat het bedrijf zelf mag bepalen hoe het aan het vergunningvoorschrift voldoet.
Nadat het bedrijf in de gelegenheid was gesteld om de partij sorteerresidu te verwijderen, de zogenoemde begunstigingstermijn, bleek bij herhaalde controles dat de partij toch niet helemaal was afgevoerd. Daarmee waren vier dwangsommen van 250.000 euro verbeurd, samen goed voor 1 miljoen euro. Volgens de rechtbank was de provincie bevoegd om dat bedrag in te vorderen. Het bedrijf stelde dat betaling van 1 miljoen euro tot ernstige financiële problemen zou leiden. De rechtbank vindt echter dat het bedrijf onvoldoende volledig inzicht heeft gegeven in zijn financiële positie, de gevolgen van betaling en de mogelijkheden om de financiële last binnen de holding te dragen. Het beroep tegen het invorderingsbesluit is daarom ongegrond.
Wel verlengt de rechtbank de eerdere schorsing van het invorderingsbesluit tot zes weken na bekendmaking van de uitspraak. Daarmee voorkomt de rechtbank dat het bedrijf direct na de uitspraak onverwacht met de gevolgen van de invordering wordt geconfronteerd.