Er zijn veel zoveel factoren die het hoogwaardig recyclen van textielafval bemoeilijken, dat er onder de streep maar weinig overblijft dat geschikt is voor hoogwaardige vezel-tot-vezelrecycling. Grote prints en coatings vormen de grootste uitdagingen.
Meer accurate sorteerlijnen die het verschil herkennen tussen enerzijds kleine en middelgrote prints en anderzijds grote prints, verbeterde detectiemethoden voor stoorstoffen (coatings en finishes) met lage concentraties, en ontwerpstrategieën om de hoeveelheid zwaar bedrukte kledingstukken in afvalstromen te verminderen. Dat zijn de drie aanbevelingen die Hogeschool Saxion doet om meer textielafval in aanmerking te laten komen voor hoogwaardige vezel-tot-vezelrecycling, in een nieuw onderzoek dat het heeft uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.
Voor het onderzoek is exclusief gekeken naar monomateriaal kledingstukken van 100 procent katoen en 100 procent polyester. De metingen zijn gedaan bij het Regionaal Textielsorteercentrum Twente in Enschede. In totaal heeft Hogeschool Saxion bijna 274 kilo katoenafval onderzocht en ruim 318 kilo polyesterafval.
Het grote probleem met textielafval is dat het van nature een heterogene afvalstroom is. Kleding kan bijvoorbeeld gemaakt zijn van vezelmengsels (zoals katoen-polyester), kan accessoires bevatten (knopen, ritsen, labels), finishes, of bijvoorbeeld borduursels, prints en coatings. Dat zijn allemaal factoren die van invloed zijn op de recyclebaarheid. Dat blijkt ook wel uit het onderzoek: slechts 17 procent van het totale katoenafval (afkomstig van kleine en middelgrote prints) is geschikt voor hoogwaardige vezel-tot-vezelrecycling, mits is vastgesteld dat er geen verstorende finishes of coatings aanwezig zijn. Slechts 13 procent van het polyesterafval komt hiervoor in aanmerking. Aan de andere kant wordt voor 26 procent van het totale katoenafval en 16 procent van het totale polyesterafval een alternatieve route aanbevolen, omdat ze onder huidige omstandigheden niet geschikt zijn voor hoogwaardige vezel-tot-vezelrecycling.
Liefst 43 procent van het onderzochte katoenafval bestond uit kledingstukken met prints. Bij het polyesterafval ging het om 29 procent. Binnen deze categorie identificeert Hogeschool Saxion kleine en middelgrote prints (40 procent van bedrukt katoen, 45 procent van bedrukt polyester) als geschikt voor recycling, voornamelijk via mechanische routes waarbij prints kunnen worden verwijderd. Grote prints, prints aan één zijde en volledig bedrukte kledingstukken waren gezamenlijk verantwoordelijk voor 60 procent van bedrukt katoen en 55 procent van bedrukt polyester. Deze categorieën zijn zeer uitdagend onder de huidige technische en economische omstandigheden.
Kledingstukken met zichtbare coatings en finishes (bijvoorbeeld om kleding waterafstotend te maken) vormen maar een klein aandeel van de totale afvalstroom (1 procent van katoenafval en 3 procent van het polyesterafval), maar zijn tegelijkertijd wel de meest problematische categorie. Ondanks lopend onderzoek naar de verwijdering van coatings en het scheiden van meerlaags textiel is dit de meest ingewikkelde stroom om hoogwaardig te recyclen, omdat er doorgaans extra bewerkingsstappen nodig zijn. In het onderzoek staat dat zogeheten ATR-FTIR-screening waardevol is bij het detecteren van coatings en finishes, maar dat er ook beperkingen zijn vastgesteld
Bij 9 procent van het onderzochte textielafval was er sprake van borduursels. Mechanische recyclingprocessen kunnen hiermee overweg, maar voor chemische routes zijn deze mogelijk wel problematisch.